Klokkenluidersregeling

Regeling melden van vermoeden van een misstand (“klokkenluidersregeling”)

Preambule

Stichting openbaar primair onderwijs IJmond vindt het belangrijk dat medewerkers en ouders op adequate en veilige wijze vermeende (ernstige) onregelmatigheden binnen de organisatie aan de orde kunnen stellen.

De klokkenluidersregeling biedt een beschrijving van de procedure die gevolgd moet worden wanneer een (op redelijke gronden gebaseerd) vermoeden van een misstand bestaat.

De regeling biedt duidelijkheid over de zorgvuldigheidseisen en biedt de betrokkene bescherming tegen benadeling. De regeling brengt hiermee tot uitdrukking dat het melden van een misstand gezien wordt als een bijdrage aan het verbeteren van het functioneren van de organisatie en dat de melding serieus zal worden onderzocht.

Daarnaast brengt de regeling het uitgangspunt tot uitdrukking dat een vermoeden van een misstand in beginsel eerst intern wordt gemeld. Hiermee wordt de organisatie in de gelegenheid gesteld om zelf orde op zaken te stellen.

De regeling is niet bedoeld voor persoonlijke klachten van betrokkenen en moet dan ook worden onderscheiden van de Klachtenregeling. Via de Klachtenregeling kunnen ouders en personeelsleden klagen over gedragingen of beslissingen van het bevoegd gezag of het personeel dat werkzaam is bij het schoolbestuur, of juist over het uitblijven van bepaalde gedragingen of beslissingen. Hierbij gaat het om kwesties waarbij het persoonlijk belang in het geding is.

Daarnaast biedt de Wet medezeggenschap op de scholen aan ouders en personeelsleden de mogelijkheid om via de (gemeenschappelijke)medezeggenschapsraad zaken betreffende de school aan de orde te stellen en daarover een standpunt te bepalen.


Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen


Artikel 1

  1. In deze regeling wordt verstaan onder:
    a. bestuur: het College van Bestuur, volgens de statuten belast met het bestuur van Stichting openbaar primair onderwijs IJmond;
    b. raad van toezicht: de Raad van Toezicht, volgens de statuten belast met het toezicht op het onder a bedoelde bestuur;
    c werknemer:
    – de natuurlijke persoon die in een publiekrechtelijke dienstbetrekking tot de werkgever staat, dan wel
    – de natuurlijke persoon die in een andere met een dienstbetrekking gelijk te stellen rechtsverhouding bij de werkgever werkzaam is, waaronder in ieder geval wordt begrepen een uitzendkracht,
    gedetacheerde of stagiair;
    d. leerling: hij/zij die als zodanig is ingeschreven aan een school van Stichting openbaar primair onderwijs IJmond;
    e. ouder: de ouder, voogd of verzorger (wettelijk vertegenwoordiger) van de onder d bedoelde leerling;
    f. melder: de werknemer of ouder die een vermoeden van een misstand meldt overeenkomstig hoofdstuk 4;
    g. melding: de melding van een vermoeden van een misstand door de melder;
    h. vertrouwenspersoon integriteit (VPI): de vertrouwenspersoon bedoeld in hoofdstuk 3;
    1.vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van:
    – een schending van wettelijke voorschriften of beleidsregels,
    – een gevaar voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu,
    – een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten bij Stichting openbaar primair onderwijs IJmond,   die het goed functioneren van de instelling en/of het verzorgde onderwijs in het geding brengt;
    j. (G)MR: de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS),
    k. Huis: het Huis voor klokkenluiders bedoeld in artikel 3 van de Wet Huis voor klokkenluiders (Staatsblad 2016- nr. 148).
  2. Tenzij het tegendeel blijkt, wordt in deze regeling onder werknemer mede begrepen: de voormalige werknemer van wie de dienstbetrekking of andere rechtsverhouding op het tijdstip van melden niet langer dan twee jaar geleden formeel is geëindigd.
  3. Deze regeling is niet bedoeld voor klachten van persoonlijke aard van een betrokkene waarin andere regelgeving voorziet.
  4. De betrokkene die een melding maakt van een vermoeden van een misstand dient niet uit persoonlijk gewin te handelen.
  5. De betrokkene die een melding maakt van een misstand waaraan hijzelf bewust  heeft deelgenomen, is niet gevrijwaard van sancties.


Hoofdstuk 2 Rechtsbescherming melder

Artikel 2

  1. a. Ten aanzien van de melder wordt vanwege het te goeder trouw melden van een vermoeden van een misstand geen besluit met nadelige gevolgen voor zijn/haar (rechts)positie genomen.
    b.Het bestuur of, in het geval van artikel 4, tweede lid, de raad van toezicht zorgt ervoor dat de melder ook niet op andere wijze door de melding bij het uitoefenen van zijn/haar functie nadelige gevolgen ondervindt.
  2. Onder besluit als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval verstaan een besluit dat strekt tot:
    a. het treffen van een ordemaatregel;
    b. het treffen van een disciplinaire maatregel;
    c. het tussentijds beëindigen of niet verlengen van een tijdelijk(e) aanstelling;
    d. het niet omzetten van een tijdelijk(e) aanstelling in één voor onbepaalde tijd;
    e. het verplaatsen of overplaatsen of het weigeren van een verzoek daartoe;
    f. het onthouden van (een periodieke) salarisverhoging;
    g. het (direct of indirect) onthouden van promotiekansen;
    h. het afwijzen van een verlofverzoek;
    i. het verlenen van ontslag anders dan op eigen verzoek.
  3. De werknemer kan het Huis verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop het bevoegd gezag zich jegens de werknemer heeft gedragen naar aanleiding van een gedane melding inzake het     vermoeden van een misstand.


Hoofdstuk 3 Aanstelling, taak en rechtsbescherming vertrouwenspersoon integriteit


Artikel 3

  1. Het bestuur zorgt met instemming van de GMR voor de benoeming van tenminste één vertrouwenspersoon integriteit (VPI).
  2. De vertrouwenspersoon heeft tot taak:
    a. een (potentiële) melder op verzoek te informeren over de procedure en te adviseren over het doen van een melding;
    b.een melding op verzoek van de melder op een afgesproken wijze en tijdstip door te geleiden naar het bestuur dan wel, in het geval van artikel 4, tweede lid, naar de (voorzitter van de) raad van toezicht;
    c. het bestuur dan wel, in het geval van artikel 4, tweede lid, de (voorzitter van de) raad van toezicht op verzoek over een melding te informeren en/of te adviseren;
    d. het bestuur en/of de raad van toezicht (gevraagd of ongevraagd) te adviseren over het gevoerde integriteitbeleid.
  3. De vertrouwenspersoon maakt de identiteit van de melder niet bekend zonder zijn/haar uitdrukkelijke toestemming. De vertrouwenspersoon heeft een verschoningsrecht.
  4. Het in artikel 2 bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de (voormalige) vertrouwenspersoon waar het de uitoefening van zijn/haar taak op basis van deze regeling betreft.


Hoofdstuk 4 Interne procedure voor het melden van een (vermoede) misstand


Artikel 4

  1. De melder doet zijn/haar melding bij het bestuur.
  2. Indien het bestuur bij de melding is betrokken, doet de melder zijn/haar melding bij de (voorzittervan de) raad van toezicht. In dat geval is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
  3. De melder kan zijn/haar melding volgens artikel 3, tweede lid onder b, ook via de vertrouwenspersoon bij het bestuur of de (voorzitter van de) raad van toezicht doen.
  4. Een anonieme melding wordt niet in behandeling genomen.
  5. Een melding kan niet in de plaats treden van een wettelijke verplichting tot het doen van aangifte van strafbare feiten.


Artikel 5

Indien de werknemer niet meer bij Stichting openbaar primair onderwijs IJmond werkzaam is en de melding daarop betrekking heeft, doet hij/zij de melding binnen twee jaar na het formeel eindigen van zijn/haar dienstverband of andere rechtsverhouding met Stichting openbaar primair onderwijs IJmond.


Artikel 6

De personen die betrokken zijn bij de behandeling van een melding gaan, indien en voor zover deze bekend is, op behoorlijke en zorgvuldige wijze met de identiteit van de melder om.


Artikel 7

  1. Het bestuur:
    a. bevestigt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken na ontvangst daarvan, schriftelijk de melding aan de melder of de vertrouwenspersoon;
    b. informeert de persoon/personen op wie het vermoeden van een misstand betrekking heeft over de ontvangst van de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad of artikel 8, vierde lid, wordt toegepast;
    c. zorgt ingeval van het kennis dragen van de identiteit van de melder ervoor dat die niet verder bekend wordt dan noodzakelijk is voor het onderzoek en de behandeling van de melding.
  2. Indien het bestuur de ontvangst van de melding aan de vertrouwenspersoon heeft bericht, stuurt deze de ontvangstbevestiging door aan de melder.
  3. Het bestuur informeert tevens de (voorzitter van de) raad van toezicht over de melding en de (voorgenomen) wijze van afhandelen daarvan.


Artikel 8

  1. Het bestuur stelt zo spoedig mogelijk een onderzoek in naar de melding.
  2. Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is (geweest) bij de vermoede misstand of daar anderszins belang bij heeft.
  3. Het bestuur kan het onderzoek en de verdere behandeling van de melding in ieder geval achterwege laten als:
    a. geen sprake is van een vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder i;
    b. de melding door een voormalig medewerker niet is gedaan binnen de in de artikelen 1, tweede lid, en 5 genoemde termijn van twee jaar;
    c. de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
  4. Het bestuur bericht het achterwege laten van een onderzoek en verdere behandeling van de melding met vermelding van redenen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee weken na de ontvangstbevestiging, schriftelijk aan de melder of de vertrouwenspersoon.
  5. Indien de vertrouwenspersoon het bericht ontvangt stuurt deze het door aan de melder.
  6. Bij het in lid 4 bedoelde bericht wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de klachtencommissie waarbij het bestuur is aangesloten.

Artikel 9

  1. Het bestuur bericht de melder of de vertrouwenspersoon zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twaalf weken na ontvangst van de melding, schriftelijk en gemotiveerd over de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele gevolgen die daaraan worden verbonden.*
  2. Indien niet binnen twaalf weken toepassing kan worden gegeven aan het eerste lid, stelt het bestuur de melder of de vertrouwenspersoon daarvan vóór afloop van deze termijn schriftelijk en met vermelding van redenen op de hoogte. Daarbij wordt de termijn aangegeven waarbinnen de  melder of de vertrouwenspersoon het in lid 1 bedoelde bericht zal ontvangen.
  3. Indien de vertrouwenspersoon het in lid 1 of 2 bedoelde bericht ontvangt, stuurt deze het door aan de melder.
  4. De persoon/personen op wie de melding betrekking heeft ontvangen het in lid 1 of 2 bedoelde bericht ook, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
  5. Indien de melder het in het eerste lid bedoelde bericht niet binnen de termijnen zoals bedoeld in het eerste of tweede lid heeft ontvangen of de termijn in het tweede lid onredelijk lang is, kan hij een melding doen bij de klachtencommissie waarbij het bestuur is aangesloten.


Hoofdstuk 5 Slotbepalingen


Artikel 10

Deze regeling heeft de instemming van de GMR van Stichting openbaar primair onderwijs IJmond.


Artikel 11

  1. Het bestuur zorgt ervoor dat de regeling op een vertrouwelijke manier kan worden geraadpleegd.
  2. Het bestuur stelt alle belanghebbenden op de hoogte van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in lid 1.

 Artikel 12

  1. In gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het bestuur.
  2. Deze regeling kan worden aangehaald als: “Regeling melden van vermoeden van een misstand (“klokkenluidersregeling”) en treedt in werking met ingang van 28 maart 2017.

 

* Het hier genoemde over de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele gevolgen die daaraan verbonden kunnen worden, kunnen leiden tot een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Dit hangt af van de omstandigheden van het geval en of het bestuur er rechtsgevolgen aan verbindt. Indien dit het geval is dan kan de melder bezwaar maken tegen het besluit en vervolgens nog beroep instellen. Er kan dus voor de melder nog een rechtsgang open staan.